Het gebied dat ik heb geanalyseerd ligt in Gelderland tussen Arnhem – Zutphen en Doetinchem. Gecentreerd in mijn gebied ligt de stad Doesburg. Het gebied kenmerkt zich door twee landschapstypen: het zandlandschap en het rivierkleilandschap.
De belangrijkste dragers van het landschap zijn de hoge stuwwallen van de Veluwe en de rivier de IJssel die met grote bochten door het gebied meandert.
Dit project gaat over het ontstaan van het gebied, de ontwikkeling in ruimte en tijd en de samenhang daartussen.
Het zandlandschap
Voor de laatste grote ijstijden volgden de voorlopers van de Rijn en Maas een noord-westelijke koers over het land. Ze voerden grote hoeveelheden zand, grind en lemig materiaal aan en vormden brede rivierdalen in het landschap.
Tijdens de een na laatste ijsstijd (het Salien) worden deze rivierzanden opgestuwd door een gigantische ijstong die vanuit Scandinavie ons land bereikt. De Rijn en Maas worden geblokkeerd en gaan in westelijke richting stromen. Er ontstaat een glaciaal tongbekken tussen de Veluwe en Montferland dat verder wordt uitgesleten met fuvioglaciaal materiaal van grof zand en grind (formatie van Kreftenheije).
In het Emien en de laatste ijstijd (Weichselien) wisselen warme en koele periodes elkaar af. Door erosie van smeltwater worden dalen uitgesleten en worden er uitspoelingswaaiers gevormd aan de voet van de stuwwal. In het Weichselien waait er een gure poolwind die dekzanden van lemig zand en löss over de stuwwallen en rivierduinen blaast. Deze formatie is afkomstig van de zeebodem en rivierafzettingen en noemen we de formatie van Boxtel.
Door het warmere klimaat ontstaat steeds meer vegetatie. De lemige stuwwallen bieden een goed humusrijk bodemleven, wat leidt tot moderpodzolgronden.
De eerste bewoners bedreven op deze mineraalrijke lemige grond landbouw. Daarnaast ontstaat er een ophoging van humusrijke enkeerdgronden die zijn ontwikkeld door een mengsel van mest en heideplaggen. Op deze plekken is de bebouwing en infrastructuur uitgebreid en staan nu de dorpen De Steeg en Ellecom.
Door de mens werd heide maar ook veel bos ontgonnen, dit verstoorde de mineraalrijke moderpodzolgronden, met woeste gronden tot gevolg. Pas in de 19e eeuw werd door de landgoederen bos aangeplant dat vooral diende voor hakhout en de jacht. Daarvoor had het gebied een meer open landschap met veel stuifzand.
De stuwwallen zijn goed waterdoorlaatbaar en hebben een grondwaterpeil diep onder het maaiveld. Dat verklaart waarom er geen data van is.
Als we richting het rivierengebied gaan, komen we eerst nog in een zeer natte zone. Want aan de voet van de stuwwallen, op de overgang naar de uiterwaarden, komt kwelwater van de veluwe omhoog. Omdat het deel vroeger veel en langdurig overstroomd raakte door de rivier zijn er waardveengronden op zeggeveen ontstaan. Het zware kleidek op het veen heeft een slechte waterdoorlatendheid, waardoor het nog steeds een zeer nat gebied is dat nog steeds in gebruik is als (broek)bos en grasland, onder beheer van landgoed Middachten.
Het Rivierenlandschap
De oorspronkelijke rivier in het huidige IJsseldal heeft zich eerst op natuurlijke wijze steeds weer verlegd. Door piekafvoeren van smeltwater in het pleistoceen ontstond er en een vlechtende rivier met een wirwar aan geulen waarvan sommige nog in het landschap aanwezig zijn. Door de krachtige stroming werd er veel grof zand afgezet.
Aan het einde van het pleistoceen ging de rivier door een warmer klimaat en constantere afvoer meanderen. In het holoceen wordt er door een rustigere stroming en overstromingen vooral veel zware klei afgezet op de brede zandige oeverwallen, stroomruggen en kommen.
Er zijn verschillende theorieën over het ontstaan van de IJssel zoals we die nu kennen. Er is een theorie dat tussen Zutphen en Doesburg een doorbraak in een dekzandrug is geweest in 550 n.C (Cohen et al) Ook is er een theorie dat de doorbraak 400 eeuwen later plaatsvond bij de Havikerwaard ten oosten van Doesburg. Overeenkomst is dat de noordelijke rivieren bij Zutphen en Deventer daardoor samenkwamen met de Rijn en richting de zee gingen stromen onder een nieuwe naam: IJssel.
De eerste mensen gingen wonen op de hoger gelegen stroomruggen, oeverwallen en de rivierduinen (de met dekzand bedekte oude rivierkleigronden). Vandaag de dag zien we veel bebouwing en nieuwe dorpen op deze plekken. Door de goede ontwatering waren de oeverwallen en stroomruggen geschikt voor akkerbouw, de komgebieden waren te nat en dienden meer als grasland (hooiland).
In de hoger gelegen stroomruggen, oeverwallen en enkeerdgronden zien we een meer onregelmatige blokverkaveling.
In de komgebieden zien we onregelmatige strokenverkaveling. Al deze gronden hebben een dunne humushoudende bovenlaag van zware jonge rivier klei dat vaak de oude stroomgeulen hebben opgevuld. De kommen zijn nu beter ontwaterd door het verbreden en rechttrekken van de sloten en weteringen. Door ruilverkavelingen zijn er nieuwe grootschalige rundveehouderijen gebouwd. Deze liggen veel op de zogenaamde gebroken gronden, de overgang tussen jonge en oude rivierklei. Waarbij de bebouwing en bouwland voor bijvoorbeeld mais op de oude rivierklei zit en het grasland voor de koeien op de jonge rivierklei. De Grienden tussen de boerderijen waarvan de wilgentenen werden gebruikt, zijn veelal vervangen door lanen met populieren. De houtwallen met meidoorns zijn vervangen door prikkeldraad. Al moet worden gezegd dat deze hagen steeds meer teruggebracht in het landschap.
Er is door de mens veel aangepast aan de rivier. Er zijn dijken, sluizen en verderop stuwen aangelegd om het waterpeil te kunnen beheersen. Kribben voorkomen nu het dichtslibben door het vergroten stroomsnelheid en voorkomen erosie in buitenbochten. Bij Doesburg is de bocht van de rivier zelfs afgesneden en is de Oude IJssel rechtgetrokken.
Voor de uiterwaarden is geen grondwaterdata bekend omdat dit van oorsprong een overstromingsgebied is. Boerderijen stonden op kunstmatige ophogingen (pollen) die we nog steeds zien in het landschap. De jongste rivierklei is hier afgezet als stroomruggen en oeverwallen van de huidige rivier. Het is goed bouwland, kalkhoudend met goede ontwatering.
Vroeger stonden er ook veel steenfabrieken. Het slib dat werd afgezet was interessant voor kleiwinning. Dat verklaart ook de kalkhoudende bodem: de kleiige humushoudende bovenlaag van 30 cm werd teruggestort op een zandige onderlaag. Na de baksteenindustrie werden grote delen afgegraven voor zandwinning waardoor er grote zandplassen zijn ontstaan. Naast recreatie worden de uiterwaarden veel ingezet voor natuurontwikkeling en in ere herstellen van cultureel erfgoed, waarbij de oude riviergeulen moerasgebied worden en de griendlanen terug in het landschap worden gebracht. Maar echt onder water zal het niet snel meer komen.
Conclusie
Het natuurlijk reliëf dat is gevormd door de stuwwallen en de rivier is nog steeds het fundament waarop de occupatielaag is gebouwd.
Door de invloed van de mens is er ook nieuw reliëf in het landschap gekomen en zijn gronden droger en voedselarmer geworden.
Nu het beleid weer meer water-en-bodemsturend wordt zien we dat er vooral in de uiterwaarden en op de stuwwallen aandacht is voor natuurontwikkeling. Ook in de kommen zien we meer vergroening.
Door het onstaan van grotere kavels zijn er grotere open en half-open ruimtes ontstaan. Tegelijkertijd heeft de bedijking, bebouwing en de aanleg van de snelweg en opgaand groen de horizon meer verdicht en onstaan er meer half-open kamers binnen een coulissenlandschap.